Winkelman had nog maar net het bordje ‘dicht’ omgedraaid en was ‘open’ of de telefoon ging. Vaste klant L., een doenige dame, aan de lijn. Als ze nu haar bestelling doorbelde dan zou ze die vanmiddag, voor de deur parkerend, even komen ophalen, luidde de boodschap.
Winkelman noteerde het gewenste en aan het eind van haar verlanglijstje vroeg ze hem of hij bijgeval een petitie wilde tekenen, een petitie tegen stierenvechten die ze dan vanmiddag meteen zou meebrengen.
“Nee, spaar je de moeite”, schrok Winkelman op. “Ik ben helemaal niet tegen stierenvechten ...”
“O nee?” verbaasde de Doenige Dame zich aan de andere kant van de lijn. “Niet tegen...” Ze kon het niet geloven.
“Nee, inderdaad. Ik ben niet tegen. Ook niet echt voor..., maar zeker niet tegen”. Hij schrok van zijn eigen beslistheid.
“Nou, dat moet je me dan vanmiddag maar eens uitleggen”, besloot ze het gesprek.
Winkelman ging weer verder met het openen van zijn zaak; spulletjes buiten, lichtjes aan, enzovoort.
Het was vrijdag, altijd een druk dagje en over stierenvechten dacht hij niet meer na.
Toen ze die middag in haar glanzende automobiel voor de deur verscheen, had hij de bestelling voor haar klaar staan. Ze was weer, zoals altijd, in een kwieke bui.
“Dus je tekent niet”, opende ze het dispuut.
“Geen sprake van”, hield Winkelman zich staande.
“Dus jij bent vóór dat stiertje-pesten?”, daagde ze hem uit.
“Ja, daar ben ik hartstikke voor”. Hij gaf geen krimp.
“Dus jij vindt het niet erg dat die stier eerst gemarteld wordt voordat ze hem onder luid applaus doodsteken”, hield ze aan.
“Nee”, zei Winkelman.
Ze bekeek hem nu licht geamuseerd. “Wat een erge man ben jij”.
“Ben jij wel eens naar een stierengevecht geweest?”, ondervroeg Winkelman haar streng.
“Ik niet”.
“Ik toevallig wel”.
“Nou en... ik hoef toch niet alles te zien waar ik tegen ben”. Ze stond pal.
“Da’s waar. Maar dan kun je heel moeilijk snappen wat Spanjaarden met dat spektakel hebben. Ik zou ook tegen een stierengevecht zijn dat hier in Nederland plaatsvindt. Maar daar in Spanje maakt het deel uit van het denken over de dood... en zo...”
Wat ben ik toch aan het verdedigen, bedacht Winkelman, boos wordend op zichzelf. “Wil je dan van de wereld één groot Nederland maken...”, sputterde hij door.
Ze hadden afgerekend en hij tilde de zware doos met flessen op om die in de auto te zetten.
“Het is wreed”, hield ze koppig vol.
“Het hele leven is wreed”, mokte hij terug.
“Maar die dieren kunnen niets terugdoen. Het is een ongelijke strijd...”
“Ons gevecht tegen de dood is ook een ongelijke strijd”, ging Winkelman door.
“We worden het niet eens”, besloot ze sussend. Ze leek geamuseerd door zijn heftigheid.
“Hmmm”, gromde Winkelman. Hij begreep nog steeds niet wat hem bezielde.
Ze zat inmiddels achter het stuur van haar auto en startte de motor.
“Wacht even”, vroeg Winkelman haar door het geopende raampje. Hij liep terug naar binnen en pakte een mooie fles Spaanse wijn uit het vak. Terug bij de auto stak hij de fles naar binnen. “Voor jou”, zei hij. “En op de bodem kom je de ziel van Spanje tegen”.
Toen ze optrok hoorde hij haar nog lachen.
|